Hadassa

6 oktober 2019

Wie is mijn naaste? – Hoe Jezus deze vraag omdraait

Elke week word ik er wel mee geconfronteerd. Bij de uitgang van het station zit een man. Een advertentie voor een maatjes-project. Een collecte die langs de deur komt. Allemaal goede dingen. En ik zou graag helpen. Maar ik kan toch niet iedereen helpen? Wie is dan mijn ‘naaste’? Wie moet ik eigenlijk helpen? 

Deze vraag werd ook aan Jezus gesteld. Op een dag stapt een wetgeleerde naar voren om Jezus voor het blok te zetten. Dat doet hij door Hem een vraag voor te leggen: ‘Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ Het was een vraag waar veel over nagedacht werd. De een gaf er een strikter antwoord op dan de ander. Zou hij Jezus kunnen pakken op zijn antwoord? 

Jezus reageert op de man met een wedervraag: ‘Wat zegt de wet?’  

De wetgeleerde antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.’ ‘U hebt juist geantwoord,’ zei Jezus tegen hem. ‘Doe dat en u zult leven.’ 
– Lucas 10: 27 (NBV). 

Jezus legt het antwoord van de wetgeleerde bij hem terug: doe wat je zelf zegt! Blijkbaar gaf de wetgeleerde het juiste antwoord. Je zult het eeuwige leven ontvangen in relatie met God. Die relatie zal zich uiten in gehoorzaamheid en het handelen daarnaar. Maar juist aan dat praktisch handelen bleek het nog te schorten bij de man. Om zichzelf te redden, stelt hij dan een nieuwe vraag: ‘Wie is dan mijn naaste?’ En met daaronder ook de vraag: wie is dat niet? Waar ligt de grens voor wat ik moet doen? 

Jezus antwoordt hem door een verhaal te vertellen: 

Toen vertelde Jezus hem het volgende: ‘Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten. Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij met een boog om hem heen. Er kwam ook een Leviet langs, maar bij het zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen. Een Samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde. De volgende morgen gaf hij twee denarie aan de eigenaar en zei: “Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden.” Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?’ 
– Lucas 10: 25-36 (NBV). 

Jezus antwoordt de wetgeleerde met een verhaal, om hem uiteindelijk weer een vraag terug te stellen. Hij draait de vraag die de man heeft gesteld om: ‘Wie van deze drie is de naaste geworden?’ Blijkbaar vindt Jezus de vraag wie je wel en niet moet helpen niet zo interessant. Veel belangrijker is voor wie jij zelf de naaste bent geworden. 

Het antwoord op Jezus’ vraag is voor iedereen duidelijk. Toch heeft de wetgeleerde moeite om het hardop te zeggen. De eerste twee mannen waren gerespecteerde Joden, uit zijn eigen volk. Het was duidelijk dat zij niet als ‘naasten’ hadden gehandeld. De derde man was een Samaritaan. De vijand. De laatste persoon waar je hulp van zou verwachten. Moet de wetgeleerde nu toegeven dat juist de Samaritaan medelijden had gekregen? Dat juist hij de naaste was geworden? Hij kan het niet opbrengen om het woord ‘Samaritaan’ uit te spreken. Dus praat hij er omheen: 

De wetgeleerde zei: ‘De man die medelijden met hem heeft getoond.’ Toen zei Jezus tegen hem: ‘Doet u dan voortaan net zo.’ 
– Lucas 10: 37 (NBV). 

Jezus geeft meteen een antwoord terug. Hetzelfde antwoord als Hij al eerder gaf: doe dat ook! Neem een voorbeeld aan de Samaritaan. Al is het je vijand. Want hij is de naaste geworden. Hij heeft gehandeld zoals God het voorgeschreven heeft.  

Jezus draait de vraag van de man om. Hij laat daarmee iets heel belangrijks zien: het kan interessant zijn om te filosoferen over wie je naaste is. Om uit te gaan rekenen wie er nu wel of niet onder valt. En of je die persoon nou wel of niet moet helpen. Maar daar gaat het Jezus niet om. Het gaat Jezus om de praktijk. En of we überhaupt wel een naaste voor iemand zijn. Niet: wie is mijn naaste? Maar: voor wie ben ik de naaste geworden? 

Dat kan dus zomaar iedereen zijn. De man die je midden op straat tegenkomt. De vrouw die tegenover je in de trein zit. Het meisje dat voor je in de rij van de supermarkt staat. Het zou zelfs je vijand kunnen zijn. Je naaste blijkt niet degene te zijn die je zelf kiest. Of degene die bij jouw clubje hoort. Het is degene die je zomaar tegen het lijf loopt en waar jij de naaste voor mag worden. 

Aan de slag! 

Word stil en bid tot God. Spreek met hem over hoe jij omgaat met je naaste. Wat vind je mooi? Wat vind je lastig? 

Deze woorden kunnen je hierbij helpen: 

Vader in de hemel, help me U lief te hebben met heel mijn hart, met heel mijn ziel, met heel mijn kracht en met heel mijn verstand. Help me mijn naaste lief te hebben als mijzelf. Open mijn ogen voor wie mijn naaste is. Help mij om voor hem of haar de naaste te worden. Amen. 

laat een reactie achter

  1. Kim

    oktober 11th, 2019 at 09:21

    Dankjewel :’) ❤️❤️❤️🙏

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

© zij lacht, 2018  |  foto's door inge kooiman