Opstaan tegen onrecht – volg het voorbeeld van Ebed-Melech

Ebed-Melech was zijn naam. Ik had nog nooit van hem gehoord. Jij misschien ook wel niet. Dat is ook niet zo gek, want zijn naam wordt maar een paar keer in de Bijbel genoemd. Vijf keer om precies te zijn. Toch is hij een groot voorbeeld als het gaat om opstaan tegen onrecht. Ebed-Melech leefde zo’n 2500 jaar geleden en was een tijdgenoot van Jeremia. Hij woonde in Israël, maar behoorde niet tot het Joodse volk. Hij was afkomstig uit Nubië, een land naast Egypte. Hij woonde en werkte in Jeruzalem. Daar was hij een ambtenaar van de koning. Hierdoor kwam hij vaak in het paleis en hoorde hij regelmatig wat er zich aan het hof afspeelde. Zo hoort hij op een dag nieuws over vreselijk onrecht.

Voor de zoveelste keer spreekt Jeremia het volk toe. Als profeet ontvangt hij woorden van God, die hij aan het volk moet doorgeven. Deze keer waarschuwt hij het volk dat ze zich over moeten geven aan de vijand, die op het punt staat Jeruzalem in te nemen. Alleen dan zullen ze in leven blijven.

Een aantal raadsheren van de koning horen hoe Jeremia het volk probeert te overtuigen om zich aan de vijand over te geven. Ze gaan naar de koning toe en beschuldigen Jeremia ervan dat hij niet uit is op vrede en dat hij het volk en de soldaten ontmoedigt om zich te verdedigen. Ze vragen de koning toestemming om hem te vermoorden. Zodra de koning instemt, pakken ze Jeremia op en laten hem in een waterkelder zakken. Daar stond geen water meer in, maar modder. Jeremia kan zelf niet uit de kelder klimmen en hij zakt steeds verder weg in de modder. Ebed-Melech is op dat moment in het paleis en hoort dit verschrikkelijke nieuws.

Ebed-Melech, een hoveling afkomstig uit Nubië, hoorde daarvan. Hij bevond zich in het koninklijk paleis, terwijl de koning zitting hield in de Benjaminpoort. Ebed-Melech verliet het paleis, ging naar hem toe en zei: ‘Mijn heer en koning, het is misdadig dat deze mannen Jeremia in een waterkelder hebben gegooid. Waarom moet hij juist daar van honger omkomen? Elders in de stad is ook geen brood meer. De koning beval Ebed-Melech: Ga met dertig man naar die waterkelder en haal Jeremia naar boven, voordat hij sterft.Ebed-Melech riep toen dertig man bij elkaar en ging naar de kelder van het magazijn van het koninklijk paleis, waar hij wat versleten kleren en oude lappen haalde. Hij liet deze aan touwen naar Jeremia in de put zakken en zei tegen hem: Stop die kleren en lappen onder uw oksels en haal de touwen eronderdoor. Jeremia deed wat hij zei, en zo trokken ze hem uit de put omhoog. Vanaf dat moment verbleef hij weer in het kwartier van de paleiswacht.
(Jeremia 38:7-13, NBV)

Zodra Ebed-Melech het verschrikkelijke nieuws hoort, onderneemt hij actie. Hij zoekt de koning op en vraagt hem zijn beslissing terug te draaien. Vervolgens zorgt hij ervoor dat Jeremia meteen wordt bevrijd. Indrukwekkend vind ik dat. Hij is niet bang zijn mond open te doen tegen de koning en hem te zeggen waar het op staat. Hij is niet bang om op te staan tegen het onrecht dat er om hem heen gebeurt.

‘Hoe kan dat?’, vraag ik me dan af. Hoe kan het dat hij niet bang is? Hoe kan het dat hij meteen in actie komt? Hij had het namelijk ook niet kunnen doen. Hij had ook kunnen doen alsof hij het nieuws niet had gehoord. Hij had zijn schouders op kunnen halen en kunnen denken dat het niet zijn zaak is of kunnen denken dat er niets meer aan te doen valt. Want dat is vaak de manier hoe ik met onrecht omga. Ik doe maar net of het er niet is, dan hoef ik er ook niets aan te doen. Of ik denk dat ik er toch niets aan kan doen. Hoe kan het dat Ebed-Melech er wel meteen op af gaat?

Het verhaal is nog niet afgelopen. Ebed-Melech wordt nog één keer genoemd, een hoofdstuk later:

Toen Jeremia nog in het kwartier van de paleiswacht gevangen zat, had de HEER tot hem gesproken: ‘Ga naar de Nubiër Ebed-Melech en zeg tegen hem: Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik heb niet beloofd dat ik deze stad zou redden, maar gezegd dat ze ten onder zou gaan. Mijn woorden zal ik nu waarmaken. Je zult het met eigen ogen aanschouwen, maar jou zal ik redden spreekt de HEER. Je zult niet worden uitgeleverd aan de mannen die je vreest, maar ik zal je laten ontkomen. Je zult geen gewelddadige dood sterven, maar worden gespaard omdat je op mij hebt vertrouwd, spreekt de HEER.’
(Jeremia 39:15-18, NBV)

God heeft gezien wat Ebed-Melech heeft gedaan. Maar nog belangrijker: God heeft zijn hart gezien. Hij heeft gezien dat Ebed-Melech op Hem vertrouwde. Daarom belooft God dat Hij hem zal beschermen, als de stad wordt aangevallen.

Ebed-Melech vertrouwde op God. In een situatie van oorlog en misdaden. In een tijd van spanningen, moorden en onrecht. Hij vertrouwde op God. Daarom durft hij op te staan tegen het onrecht om hem heen. Omdat God een God van recht is. Omdat God zelf opstaat tegen onrecht. Daarom was Ebed-Melech niet bang hetzelfde te doen. Hij was niet bang voor de koning of voor andere mensen. Hij was niet bang voor wat hem zelf zou overkomen. Hij wist wat goed was in Gods ogen. Daarom koos hij, ook al deed niemand anders dat, om recht te doen.

Aan de slag!

Denk na over de volgende vragen:
-Hoe ga jij om met het onrecht dat je om je heen hoort of ziet gebeuren?
-Durf je net als Ebed-Melech op God te vertrouwen? Durf je op te staan en recht te doen?

Opdracht:
Bedenk één situatie in jouw omgeving waarvan je weet dat er onrecht wordt gedaan. Hoe kun jij op God vertrouwen en recht doen in die situatie?

Author: Hadassa

Hadassa neemt graag de tijd voor een kop thee en een goed gesprek, om een ander en God nog beter te leren kennen. Ze lacht van goede theologische boeken, een bord andijviestamppot en Vlaamse tv-programma’s. Ze is graag druk in de weer, maar kan goed ontspannen door te keihard te zingen of een legpuzzel te maken.

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

  • Wat een bijzondere man! Ik had nog nooit over hem gehoord en gelezen.. Bedankt voor het schrijven over zulke inspirerende mensen uit de Bijbel. Groet, Lina